Ieder kind vertoont wel eens lastig gedrag. Zodra er sprake is van regelmatig ongewenst gedrag dat storend is voor de omgeving, spreken we van gedragsproblemen. Er is sprake van (ernstige) gedragsproblemen wanneer een kind of jongere een patroon heeft ontwikkeld van negativistisch, opstandig, ongehoorzaam en vijandig gedrag tegenover autoriteitsfiguren, of van gedrag waarbij de grondrechten van anderen en belangrijke sociale normen of regels worden overtreden. De problemen zijn op zijn minst enkele maanden aanwezig. Bovendien moet er sprake zijn van een beperking in het functioneren van het kind of de jongere of het kind zelf, zijn ouders of omgeving lijden er onder, de zogenoemde lijdensdruk.

Gedragsproblemen – en daarmee gedragsstoornissen – kunnen voorkomen worden door de ouders in een vroeg stadium bij de opvoeding te ondersteunen. Ook zijn er preventieve interventies die op school kunnen worden ingezet en gericht zijn op de kinderen zelf en het gedrag van de leerkracht.

Bij kinderen tot 12 jaar worden de beste resultaten behaald met interventies gericht op ouders (met name oudertrainingen). Als de problemen ernstig zijn en de oudertraining alleen onvoldoende resultaten behaalt, dan is daarnaast een training voor kinderen nodig. Hierbij zijn gedragstherapeutische interventies het meest effectief.

Met de Hart & Ziel vragenlijst voor gedragsproblemen kan meer inzicht in de aard en ernst van gedragsproblemen worden gekregen. Deze vragenlijst, de Antisocial Behaviour Symptoms Questionnaire (ABSQ), bevat 15 vragen over openlijk en heimelijk probleemgedrag en autoriteitsconflicten. De ABSQ kan vanaf groep 4 worden ingevuld. Kinderen die hoog scoren op de ABSQ komen in aanmerking voor een programma voor gedragsproblemen zoals Sprint en Alles Kidzzz. Vaak gaan gedragsproblemen na verloop van tijd ‘vanzelf’ weer over. Om die reden dienen gedragsproblemen langere tijd aanwezig te zijn om in aanmerking te komen voor een preventieprogramma.